Externe protocollen zijn communicatieprotocollen die kunnen worden gebruikt om computers, servers of andere IT-systemen op afstand via een netwerk te bedienen of te beheren. Ze maken toegang tot apparaten mogelijk alsof je er recht tegenover zit – ook al zijn ze fysiek ver weg.
Externe protocollen bepalen de manier waarop data wordt uitgewisseld tussen een client (het apparaat dat toegang aanvraagt) en een server (het externe doelapparaat). Bekende voorbeelden van externe protocollen zijn:
RDP (Remote Desktop Protocol) – vaak gebruikt op Windows om toegang te krijgen tot externe desktops.
SSH (Secure Shell) – gebruikt om servers veilig te bedienen via de commandoregel, vooral in Linux-omgevingen.
VNC (Virtual Network Computing) – maakt het mogelijk computers op afstand te bedienen via grafische interfaces.
Telnet – een ouder protocol dat tegenwoordig nauwelijks nog wordt gebruikt omdat het geen encryptie biedt.
Externe protocollen stellen IT-beheerders in staat servers te configureren, problemen op te lossen of software te installeren – zonder ter plaatse te zijn. Werknemers die thuiswerken of op zakenreis kunnen ook via externe protocollen toegang krijgen tot hun kantoorcomputers.
In IT-ondersteuning, wanneer technici een probleem op uw eigen computer oplossen via externe toegang.
In serverbeheer, bijvoorbeeld bij het installeren van updates op een webserver.
In het thuiskantoor, wanneer u via remote desktop toegang krijgt tot het werkstation op kantoor.
Bij het onderhoud op afstand van machines, bijvoorbeeld in de industrie of POS-systemen.
Omdat externe protocollen directe toegang mogelijk maken, zijn ze populair bij cybercriminelen. Ze moeten daarom altijd worden beveiligd met sterke wachtwoorden, tweefactorauthenticatie en – indien mogelijk – versleutelde protocollen zoals SSH of RDP via VPN.